Uit God doen
‘Ik ben een praktisch mens. Ik houd van het onderwijs, en vooral van het werken met leerlingen die het net niet dreigen te redden. Dat heb ik altijd gehad, ook toen ik nog studeerde aan de lerarenopleiding.
Toen ik belangstelling kreeg voor de fraters, zei mijn begeleider: ga eerst maar een paar jaar werken. Dat is een gouden greep gebleken. Want ondertussen bleef ik bij de fraters komen en ontmoette ik daar mensen die sociaal bewogen werk deden vanuit hun geloof. Ik ontdekte dat geloven meer kan zijn dan alleen voor jezelf wat bidden en in een kerk zitten. Zo groeide bij mij het verlangen om een weg te vinden waarin kerk en geloof niet alleen bij de zondag hoorden, maar bij het hele leven.
Mensen mogen best weten dat ik frater ben, daarom draag ik ook altijd mijn professiekruis. Maar verder loop ik er niet mee te koop. Ik begin er ook geen gesprekken over, tenzij iemand er meer van wil weten. Laat mij nou gewoon mijn werk maar doen, dan mogen mensen zelf bedenken wat ze ervan vinden. Misschien worden ze wel nieuwsgierig naar deze manier van leven.
Het bijzondere is dat collega's, leerlingen en ouders mijn religieuze leven accepteren. Als ik vertel hoe mijn dagen eruit zien en hoe ik met mijn geloof bezig ben, dan wordt dat nooit zweverig. Ze kennen me immers uit mijn gewone werk, ze weten dat ik met beide voeten op de grond sta.'
Uit God leven
‘Mijn leven begint in mijn relatie met God. Van daaruit krijgt al het andere kleur en krijg ik de energie om te leven en te werken. Ik merk dat heel sterk nu ik sinds een jaar weer terug ben in het onderwijs. Voor mijn gevoel werk ik nu anders dan drie jaar geleden, meer van binnenuit. Waar het toen mijn werk was, dat ik weliswaar graag deed, doe ik het nu met liefde. Mijn werk komt voort uit mijn verlangen om dienstbaar te zijn.
Het is heel moeilijk te verwoorden. Ik kan het ook niet goed ophangen aan concrete voorbeelden, want ik heb niet het gevoel dat ik een beter mens ben dan mijn collega's, of dat ik mijn werk beter doe. Maar voor mezelf maakt het veel uit, en misschien soms ook voor een ander.
Mijn relatie met God is mijn binnenkant. Het is mijn keuze om zo te leven, niet die van een ander. Ik werk op een neutrale school en doe daar praktisch gezien niets met geloof. Een tijd geleden had ik een oudergesprek waarin een moeder vroeg naar mijn fraterschap. Ik zei: “Als ik mijn werk goed doe, dan is daar niet veel van te merken, behalve misschien heel af en toe in de manier waarop ik iets zeg”. Maar misschien zou een overtuigd humanist net zo reageren.'