Fraters: broeders
Albert, Caspar, Niek en Paul zijn fraters. En voor wie dat weinig zegt: ‘frater’ is gewoon het Latijnse woord voor broeder. Een frater is geen priester, maar een mannelijke, ongehuwde rooms-katholieke leek die beloofd heeft zijn leven in dienst van het Evangelie te stellen.
Fraters leggen de geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid (ook wel ‘kuisheid’ genoemd) af. Dat klinkt alsof ze zichzelf opsluiten in een eeuwenoude gevangenis, een keurslijf waardoor je van alles niet mag en niet kunt.
Dat het eeuwenoud is, dat klopt. Al sinds mensenheugenis beloven paters, broeders en zusters dat ze gehoorzaam, arm en kuis zullen leven. Maar van een gevangenis of een keurslijf is geen sprake. Bovendien verschillen de geloften niet veel van wat mensen, die wél kiezen voor het huwelijk, aan elkaar beloven: dat ze naar elkaar zullen luisteren, dat ze voor elkaar zullen zorgen en elkaar trouw zullen zijn.
In het dagelijks leven lopen de fraters wel eens tegen de grenzen ervan aan. Maar veel vaker geven de geloften de ruimte om anders te kijken en om – samen met anderen – gelukkiger te leven en te groeien als mens. Daarover vertellen ze hier in hun eigen woorden.
Van Dale,
Groot woordenboek der Nederlandse taal frater (de(m.); -s) [<1544> Lat.] 1 niet tot priester gewijde kloosterling van bepaalde orden en congregaties, syn. broeder: de fraters van Utrecht 2 lid van een onderwijzende broedercongregatie. fratercongregatie (de (v.)), congregatie (1) waarvan de leden niet tot priester gewijd worden. fraterhuis (het), klooster van fraters.