Niek Hanckmann
‘Voordat ik frater werd werkte ik ook in het onderwijs. Ik was vrijgezel en woonde alleen, en 's ochtends en 's avonds nam ik tijd voor meditatie en gebed. Er kwam een moment dat ik me afvroeg wat nu het verschil was tussen mijn leven en dat van een frater. Dat verschil bleek ‘m te zitten in de vrijblijvendheid, want ik bepaalde alles zelf. Toen dacht ik: als ik mijn leven werkelijk in Gods hand wil leggen, dan moet ik die vrijblijvendheid voorbij durven.
In het begin dacht ik dat gehoorzaamheid betekende dat ik moest doen wat er van me gevraagd werd. De congregatie vroeg me om spiritualiteit te studeren aan de universiteit van Nijmegen, maar ik werd daar doodongelukkig van. Ik moest me in boeken en theorieën verdiepen, terwijl ik juist graag praktisch wilde werken. Gelukkig gaat bij ons alles in overleg en na een jaar kreeg ik taken die beter bij me passen. Ik kan niet groeien in gehoorzaamheid als ik er ongelukkig van word.
Nu betekent deze gelofte voor mij dat ik gehoorzaam wil leven. Ik wil horen wat de mensen die ik ontmoet van me vragen. Dat geldt voor mijn medebroeders, maar meer nog voor de mensen die ik in mijn werk ontmoet: collega's, leerlingen en ouders die een beroep op me doen. Ik probeer dat zo goed mogelijk te verstaan en daarop in te gaan.’
Paul Damen
‘De gelofte van gehoorzaamheid is veel lastiger dan ik gedacht had. In het begin beleefde ik het leven als frater als het antwoord op al mijn vragen. Het duurde een tijd voor ik tegen de beperkingen ervan opliep. Die hebben vooral te maken met het gebrek aan vrijheid. We hebben een dagorde, momenten van samenkomst en een aantal werken die we samen op ons hebben genomen.
Soms zou ik best een paar weken mijn eigen gang willen gaan. Gelukkig heb ik ook mijn eigen activiteiten als vrijwilliger. Ik zou daar best meer tijd in willen stoppen, maar dat gaat niet. Ik voel loyaliteit aan onze gemeenschap en ons bezinningscentrum. Vaak hebben we heel verschillende mensen te gast die in ons huis een plek van hoop vinden. We draaien niet om ons geloof heen, maar we hoeven niets van hen. We proberen ze alleen te laten voelen waar het om gaat: dat je een kind van God bent, dat je welkom bent en bemind wordt. Ik vind dat zo waardevol, dat ik daar conclusies aan moet verbinden: me inzetten voor die plek, die Elim heet.’
Caspar Geertman
‘Mijn eigen wil kan niet altijd voorgaan. Soms doet de gemeenschap een beroep op me en daar heb ik, bij mijn professie, eigenlijk al bij voorbaat ja tegen gezegd. Daardoor heb ik in periodes werk gedaan waar ik zelf niet voor gekozen zou hebben, maar waar ik beter in bleek te zijn dan ik dacht. Uiteindelijk ben ik er ook zelf beter van geworden.
De geloften betekenen voor mij dat ik de drang naar macht, bezit en seksualiteit niet de boventoon wil laten voeren. Dat is elke dag opnieuw zoeken: in de grote beslissingen over het soort werk dat ik doe, maar vooral in de kleine dingen. Ik heb wel eens helemaal geen zin in een activiteit of dat er weer mensen over de vloer komen. Maar ik wil ook zo goed mogelijk reageren op wat er van me gevraagd wordt.
Een aantal jaren geleden werkte ik op verzoek van de congregatie drie jaar in Kenia. Ik had het daar goed, al wilde ik liever terug naar Nederland. Toen ik weer terug kwam nam ik te veel hooi op mijn vork en kreeg last van
slapeloosheid. De provinciaal vroeg me om mijn baan op te zeggen en voor de congregatie te werken. Eerst wilde ik daar niet aan, maar ik merkte dat ik het gewoon niet volhield. Zo heb ik zelf mogen ontdekken waar mijn grenzen liggen. Uiteindelijk besloot ik zelf dat de gemeenschap op de eerste plaats komt.’
Albert van der Woerd
‘Je kunt gehoorzaamheid opvatten als “doen wat de overste zegt”, maar dan wordt het slaafs en zuur. Voor mij betekent het dat ik beloofd heb dat ik naar eenheid zal streven met het gezag dat boven me gesteld is. Maar dat is alleen mogelijk als er iets van liefde is, van broederlijkheid. Ik voel me hier thuis, omdat ik me niet hoef te bewijzen. Het blijft heel impliciet – we blijven een gemeenschap van mannen en die spreken nou eenmaal niet alles uit – maar ik voel dat we bij elkaar horen.
Mijn leven is niet 180 graden gedraaid sinds ik frater ben geworden, maar het heeft wel meer bedding gekregen door de band met mijn medebroeders. En daar wil ik graag mijn best voor doen, door te luisteren wat er van me gevraagd wordt. Zonder die bedding kan de gelofte van gehoorzaamheid tot een gevangenis worden.’