Niek Hanckmann
‘De fraters van Tilburg hebben wel iets Brabants, iets bourgondisch. We genieten van het goede van het leven. We bezoeken graag mooie plekken of musea, we eten lekker en drinken af en toe een glas wijn. In het begin dacht ik wel eens: is dit nou armoede? Maar nu ben ik blij dat we daar niet rigide in zijn. Vroeger was dat anders. Ik ken verhalen van oudere fraters die hun overste toestemming moesten vragen om een glas water te nemen.
Bij alles wat ik uitgeef speelt de gedachte mee dat het niet mijn eigen geld is, maar dat van de gemeenschap, van ons samen. Vroeger had ik geen slecht salaris. Als ik zin had in nieuwe kleren of een CD, dan kocht ik dat. Nu is dat anders. Ik vraag van alle uitgaven boven de twee euro een bonnetje en als ik iets duurs nodig heb, zoals nieuwe kleren of een printer, dan overleg ik dat eerst. Maar ook daar zijn we niet rigide in. Als ik echt graag iets wil hebben, dan kan dat bijna altijd.
Soms mis ik de vrijheid om over mijn eigen portemonnee te beschikken, maar het heeft ook een groot voordeel: ik stel mezelf bij elke uitgave de vraag of ik het wel echt nodig heb. En dan blijkt vaak dat ik niet zo veel nodig heb als ik vroeger dacht.’
Paul Damen
‘Over de gelofte van armoede kan ik kort zijn. Ik heb nooit naar veel geld of mooie dingen verlangd, en dat doe ik nu nog niet. Dat zit gewoon niet in me. We hebben alles wat we nodig hebben. Ik kan zelfs gebruik maken van een auto. Dat is al heel wat.’
Caspar Geertman
‘Toen ik nog een betaalde baan had ging mijn salaris naar de congregatie. Net als toen krijg ik nu geld om zelf uit te kunnen geven, maar omdat het niet van mij is, ga ik er voorzichtig mee om. Ook leg ik verantwoording af als ik het heb uitgegeven. Soms zie ik best dingen die ik graag zou willen hebben, maar ik oefen me om verlangens uit te stellen.
Bij mijn afscheid als districtscatecheet kreeg ik een paar cadeaubonnen. Ik had het er moeilijk mee om die in mijn la te leggen zonder er iets van te zeggen, dus heb ik het gemeld bij de overste. We hebben het erover gehad en hij besloot met te zeggen: “Doe ermee wat je wilt doen”. Inmiddels zijn we vier maanden verder en heb ik er pas een van gebruikt.
Overigens komen we niets tekort. Als je ons leven vergelijkt met dat van de fraters van vroeger, vooral toen de katholieke scholen nog geen overheidsgeld kregen … Zij hebben echt grote offers gebracht.’
Albert van der Woerd
‘Ik kan niet zeggen dat wij arm zijn. In zekere zin heb ik het materieel zelfs beter dan vroeger, want als congregatie kunnen we investeringen doen zoals ik in mijn eentje nooit had gekund. In de praktijk van alledag is het enige verschil dat alles van ons samen is. Vroeger had ik zelf een auto, nu delen we er een.’