Vier fraters
Niek Hanckmann
Albert van der woerd
Caspar Geertman
Paul Damen
Wat zijn fraters?
Fraters van Tilburg
Uit de tijd?
Gelofte van gehoorzaamheid
Gelofte van armoede
Gelofte van zuiverheid
Tien redenen om géén frater te worden
Mijn reden om het wel te doen
Terughoudendheid
Ouderwets
Actueel
Bron
Doordenken
mt:25
Mediteren kun je leren
Start de webmeditatie
Abonneren
Archief
Persoonlijk contact
Adressen
Snuffelen
Alles op een rij
Alle webmeditaties
Reacties op deze site
  HomeBarmhartigheidBron
Bron
De wetgeleerde uit de bekende gelijkenis van de barmhartige Samaritaan wil weten hoe het zit. Hoe moet hij zijn leven verzekeren voor de eeuwigheid? Jezus gaat niet met hem in discussie, maar vertelt een verhaal.

Lucas 10, 25-37
‘Meester’, zegt de wetgeleerde, ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’
‘Wat staat er in de wet geschreven?’, vraagt Jezus. ‘Hoe leest u dat?’
De wetgeleerde antwoordt: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste zoals uzelf.’
‘Juist’, zegt Jezus. ‘Doe dat en je zult leven.’

Maar de wetgeleerde voegt er nog een vraag aan toe. ‘Wie is mijn naaste?’
Daarop vertelt Jezus dit verhaal: ‘Op reis van Jeruzalem naar Jericho viel iemand in handen van rovers. Ze schudden hem uit, mishandelden hem en lieten hem halfdood achter. Toevallig kwam er een priester langs die weg. Hij zag hem, maar liep met een boog om hem heen. Een leviet die voorbijkwam deed hetzelfde.
Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was, hij zag hem en was ten diepste met hem begaan. Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Toen zette hij hem op zijn rijdier en bracht hem naar de herberg, waar hij hem verder verzorgde. De volgende ochtend haalde hij twee denariën tevoorschijn en gaf ze aan de waard. “Zorg voor hem”, zei hij, “en als u nog meer kosten moet maken, zal ik ze u op mijn terugreis vergoeden”.’
Dan vraagt Jezus: ‘Wie van de drie is naar uw mening de naaste geweest van de man die in handen van de rovers was gevallen?’
De wetgeleerde zei: ‘Hij die hem barmhartigheid heeft bewezen’.
Jezus zei: ‘Doe dan voortaan net als hij’.

Het venijn zit in de staart, want in zijn laatste vraag draait Jezus de vraag van de wetgeleerde om. Deze wilde weten wie zijn naaste is, maar Jezus vraagt hem wie de naaste werd van de gewonde man. De naaste is niet een aanwijsbare ander. Het gaat erom dat je bereid bent om zelf naaste te worden, wie er ook op je pad komt en je nodig heeft.

De wetgeleerde weet precies hoe het moet: hij moet God liefhebben met alles wat hij heeft. Maar hij ziet ook wat over het hoofd. Hij kijkt te ver weg, heeft het eeuwig leven al in het vizier. Daardoor heeft hij niet door dat de liefde tot God niet alleen voor hem en God van belang is. De liefde tot God is een open liefde, waar iedereen bij hoort. Jezus raadt hem aan om geen programma te volgen, maar om zijn houding te veranderen. Over het eeuwig leven heeft Hij het niet eens. Doe het maar, zegt hij, doe het nu. Dan zul je leven.