maandag 16 augustus,
derde dag, Chartres-Richelieu-Chateau l’Eveque
Dagboek van Albert met aanvullingen van Caspar en Niek
Albert Vanmorgen vieren we de eucharistie met elkaar in een huiskapel. De muziek wordt verzorgd door de Indonesiërs. Wat een kracht gaat er uit van hun liturgie. Eén van hen had zelf met de hand enkele liederen uitgeschreven.Het viel me op dat het woordje ‘kami’ (wij samen) erg vaak voorkwam. Een internationale congregatie als de onze is eigenlijk een soort laboratorium voor wereldvrede, zo lijkt het me. Maar één met heel speciale mogelijkheden. Soms voel je de verschillen tussen elkaar zo schrijnend aan, dat je denkt dat het nooit goed kan komen, maar met de eucharistie als middelpunt kom je in een heel andere situatie terecht. Dan voel je dat het wel kan, is het niet nu dan wel morgen.
Nu de Fransen nog. Gisterenavond bleek tijdens onze sharing hoe ongastvrij de Fransen overkomen op de fraters uit Kenya en Indonesië. Met name onze zingende gids in de crypte moest het ontgelden.
In de bus gaat de verbroedering door. Liturgische muziek uit alle streken van de congregatie klinkt uit de speakers. Vaak heeft de frater, die het cassettebandje bij de chauffeur brengt, een persoonlijke band met de uitvoerenden. Stom eigenlijk dat ik niets bij me heb uit Nederland.
Op dit moment staat muziek op uit de Mina Hasa, Indonesië. Rufinus uit Timor zingt luid mee. Overigens heel bijzonder om in de bus te kunnen internetten. De laptop is al de bus rond geweest om het verslag te kunnen zien van gisteren. Er staat alleen nog maar weinig op het gastenboek, vinden we.
Na wat opstoppingen in het verkeer komen we op onze lunchplaats. Opnieuw een file, maar dan voor een fastfood-menu. Terug in de bus vertelt frater Leo over Richelieu, de plaats waar we nu naar op weg zijn. De naam Vincent de Paul valt weer eens! Hoewel ik een vermoeden heb dat ik Vincent nog hard nodig kan hebben bij het onder woorden brengen van de spiritualiteit van actieve religieuzen, kan ik me nog niet zo veel voorstellen bij wie hij voor mij kan zijn. Het is alsof hij mij aankijkt, en ik het niet zie. En af en toe valt er een lichtstraal over zijn gelaat. Voor even.
Om twee uur rijden we Richelieu binnen. Volgens La Fontaine de mooiste stad van het universum, helemaal ontworpen naar de neo-klassieke inzichten. Ik vind het nog lelijker dan de Efteling. Maar in de kerk vinden we de eerste tastbare herinneringen aan Vincent. Ik voel me echter een ontzettende toerist met een camera op mijn buik. In kringen van pastores hoor ik nogal eens gemopper over de onmogelijkheid van evangelisatie in een geseculariseerde samenleving. Als ik dit zo zie zijn er zwaardere omstandigheden geweest.
We moeten nog een heel eind over de A10.
Op weg naar Château l’Éveque lijkt het wel een Indovision songcontest. De microfoon aan boord is in handen van de provincie Indonesia en die lijkt er niet meer vandaan te gaan. Damas begon gewoon onbegeleid te zingen. Daar voegde Alfons zich bij op de gitaar, daarbij David en Annes, luid aangemoedigd door Martinus vanaf de achterbank. We horen liederen van de Kei-eilanden, Tana Toraja en Oost-Flores. Grappig, de eerste dagen leken de mannen uit Kenya het meest aanwezig, dat is nu helemaal omgekeerd.
Om een uur of half zeven komen we aan in Château l’Éveque. We verblijven twee nachten in een huis van de ‘Filles de la Charité’ ofwel de ‘Dochters van Liefde’. Vincent stichtte deze congregatie zelf. Het is de grootste van de wereld. We worden gastvrij onthaald door twee stokoude zusters. Op elke tafel staat een grote fles wijn. Een groepje Kenianen heeft die snel leeg. Ze krijgen zonder meer een nieuwe fles. Piet, de chauffeur kijkt met grote ogen naar de zuster die zonder blikken of blozen een fles op tafel zet. Zij ziet dit en zegt, vrij vertaald: ‘het is niet goed om jaloers te zijn’. Misschien dan toch Vincent in levende lijve?
Caspar:
Ik heb me voorgenomen vandaag een samenvatting te lezen van een boek over ‘de weg van Vincent de Paul’. Dat lukt me ook op zo’n dag van onderweg-zijn. Er zijn twee dingen die me raken in de 15 pagina’s tellende tekst. Dat is allereerst hoe Vincentius Jezus ziet. Dat is bovenal als de ‘evangelieverkondiger van de armen’. In Lucas 4, 18 lezen we: Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen. Dit vers is voor Vincentius van cruciaal belang geweest. Daarnaast raakt mij de liefde waarover Vincentius spreekt: Deze liefde zal zowel effectief als affectief zijn. Voor mezelf interpreteer ik dat als: begaan met armen én daadkrachtig. Rijdend door het steeds heuvelachtiger landschap probeer ik te reflecteren op deze twee zaken. Soms doezel ik even weg; de vele indrukken zijn vermoeiend.
Niek:
Vandaag heb ik Vincent ontmoet. In Richelieu zijn we op de eerste plaats van onze reis waar Vincent ook geweest is. Er zijn twee afbeeldingen van Vincent: één van hem op de preekstoel en een andere met weeskinderen. Het lijkt symbolisch, twee beelden van twee soorten werken: geloofsoverdracht en dienstbaarheid. Alsof ze niet samen kunnen gaan. Daarin herken ik precies mijn worteling. Hoe geef ik in mijn werk op een neutrale school het evangelie een plaats? Voor Vincent was het vanzelfsprekend, voor degenen die hem afbeeldden niet. En voor mij?