Maandag 23 augustus,
tiende dag,
Paris
Dagboek van Albert met aanvullingen van Caspar en Niek
Albert
Met de metro. De een voor het eerst,
... de ander dagelijks
Heerlijk geslapen. Vanmorgen zijn we met de metro naar de kerk van de Lazaristen gegaan. Dat was op zich al een interessante onderneming, met ons internationale gezelschap. Ik lees de spanning van vooral de Afrikaanse gezichten. Het is een groot contrast met de Parijzenaars en Parisiennes in de metro, voor wie de ondergrondse een dagelijkse routine is. We tellen de koppen na elke etappe: kaartjes, perron, trein, perron... Maar goed, we zijn nog niemand kwijt geraakt, al solliciteert Annes dikwijls naar die vacature.
Het lichaam van Vincentius ligt opgebaard in een schrijn recht boven het altaar. Tijdens de mis kijk je recht in zijn gelaat. Dat zal wel de bedoeling zijn geweest van de makers. Ook twijfel ik niet aan de oprechte eerbied van zijn navolgers. Maar het is toch wel een beetje raar, vind ik.
Kijken naar Vincentius
In het kleine museum zie ik een beetje onsmakelijke dingen, zoals een hartje, geschilderd met het bloed van Vincent, na diens overlijden. Ook vertelt Guillaume dat het hart van Vincent uit zijn lichaam is weggenomen, en bij de zusters wordt bewaard. Hier kan ik niet bij.
Om de baar, die in rijk zilversmeedwerk is uitgevoerd, is een fresco geschilderd: Vincent bovenop de ladder van de missionaire deugden. Moeilijk, zei ik al, zonder ook maar iets af willen doen aan de waarde van die deugden. Deze voorstelling gaat alleen zo lijnrecht in, tegen wat ik meen te hebben begrepen uit het Evangelie. God zelf, die naar je toekomt, en zegt: 'Vrees niet, je hebt genade gevonden.Ga in vrede.'. Dat lees ik in alle toonaarden, van Genesis tot en met de Apocalyps. Maar nergens lees ik dat ik heilig kan worden door in een stappenplan een aantal deugden te beoefenen. Leo wijst op een andere tekst, waar ik meer mee kan: 'Hij ging weldoende rond'. Iemand waarvan je na het leven kan zeggen: wat hij of zij deed, was goed voor mensen. Zo iemand zijn, dat is iets om na te willen volgen. Maar volgens mij is daar geen recept voor.
Ik vermoed dat ik hier word geblokkeerd door die eigenaardige negentiende eeuw. Voor mij niet de meest interessante periode in de christelijke spiritualiteit. Ordenen, bewaren, classificeren en dogmatiek, dat was toch zo'n beetje de tijdgeest? Probleem is dat het uitgerekend de tijd is wanneer onze eigen congregatie is gesticht. Ik kan me daarom niet permitteren om alles daar zomaar mee af te doen. Maar er is toch wel íets mee gezegd.
Er stond nog een afbeelding op de muurschildering: een Dochter van Liefde die een gewonde soldaat verzorgt. We kennen allemaal Florence Nightingale, en de verhalen van de slagvelden van midden negentiende eeuw, waar nieuwe krijgstechnieken voor ongekende ellende zorgden. Ik vraag me af: zou het Rode Kruis ooit gesticht zijn zonder het voorbeeld van al die zusters, die daar bezig waren met het beoefenen van de deugd van versterving? Kortom, ik vind niet dat ik het recht heb om iets uit die tijd te veroordelen, alleen omdat ík er niet veel mee kan voor mijn gebedsleven.
Bidden bij Catherine
Maar ik voel er ook niet veel voor om me te beperken tot een spiritualiteit of een devotie die mij niet helpt.Want met name aan mijn medebroeders uit Kenia en Indonesië merk ik dat het ook anders kan. Ik zie bijvoorbeeld Alfons en David met een grote eerbied naar de relieken van de heilige Vincent turen. Ik weet zeker dat dit grote indruk maakt op hen.
Na het middagmaal gaan we gezamenlijk naar Rue du Bac. We moeten een keer overstappen met de metro, en daar slagen we ook in, zonder iemand kwijt te raken.
Het is de kapel van de wonderbaarlijke medaille. Eerst denk ik: moet dat nou, weer zo'n lijk in de kerk? Maar geleidelijk aan word ik wel gegrepen door de sfeer die hier heerst. Net als in Lourdes: dit is een plaats van gebed.
Ik koop een stripboek over het leven van Catharine Labouré, deze heilige zuster van Vincentius. Als ik daarin lees, valt mijn aandacht op een aspect dat ik nog niet had begrepen. De negentiende eeuw is ook de eeuw van de opkomst van de leke-spiritualiteit. Daarvóór leek de religieuze geschiedenis bijna uitsluitend bepaald door clerici. In de strip vertelt Catherine aan haar biechtvader dat Maria op een nacht aan haar verschenen is. Net als bij Bernadette in Lourdes, probeert de priester het uit haar hoofd te praten. Maar ze houdt vast aan wat ze gelooft, net als Bernadette overigens.
De twee vrouwen, allebei van eenvoudige komaf, staan voor mij model voor al die zusters, fraters en broeders die een ándere professionele weg in hun geloof gingen dan priesters. In de stichting van al die honderden missie-congregaties krijgt deze roeping een eigen gezicht. En de Maria-devotie, een persoonlijk beleefde spiritualiteit, is daarbij een belangrijke motor. Het lijkt wel of de kerk hiermee haar eigen sociale revolutie kent.
Ik denk aan mijn eigen roeping. Ook ik heb gekozen om leek te blijven in de kerk. Maar de weg daarnaartoe verliep volgens een andere inspiratie. Nog heel goed herinner ik me hoe dat begon. Ik las het boek Exodus, het verhaal van God, Mozes en het volk van Israël. Ineens begreep ik: dat gaat over mij! Dit is mijn eigen levensverhaal. Het is deze beweging: dienen aan het hof van de Farao, verzet, slavernij, een miraculeuze bevrijding, een lange tocht door de woestijn en over de Jordaan naar een beloofd land. Een beweging, die mij voor het eerst een religieuze identiteit verschafte. Door het inoefenen van bijbelmeditatie kwamen er nog meer van die bewegingen. En zo komen er steeds nieuwe bij. Misschien dat ik me daardoor soms een vreemde eend in de bijt voel. Maar toch werkt het... En ik ben er tijdens mijn vormingstijd niet uitgegooid!
Voor we met de metro teruggaan, waarschuwt Guillaume ons voor zakkenrollers, en legt uit hoe ze te werk gaan met onzekere reizigers. Maurice ligt dubbel van het lachen. When, in Nairobi, a pickpocet even looks at your wallet, you have lost it. They have a PhD in pickpocketing! Wat dat betreft maak ik me dan ook weinig zorgen.
Caspar
In de stemmige maar drukke kapel van de Lazaristen vieren we samen Eucharistie. Een mooie afsluiting daarvan vind ik het bezoek aan M. Vincent zelf, want boven in de kapel - achter bij het altaar - ligt hij opgebaard. Zowel tijdens de mis als bij mijn korte bezoekje aan hem, kon ik mijn overpijnzingen van gisteren neerleggen.
De middag wordt benut voor een bezoek aan de Soeurs de Charité (Dochters van Liefde) in de Rue du Bac. Daar in de kapel van deze zusters, vond in 1830 aan één van hen een verschijning plaats. De zuster aan wie Maria toen verscheen, Catharina Labouré, is voor in de kapel opgebaard. Zij ligt in een glazen kist, met een rozenkrans in de handen. In de kapel bid ik eerst wat, ofschoon ik regelmatig word afgeleid door in- en uitgaande gelovigen en door de vele versieringen. Daarna ga ik naar voren om even bij het opgebaarde lichaam te zijn. Ik wil Catharina - die overigens heilig is verklaard - mijn eerbied en respect betuigen. Tevens bid ik haar voor mij voorspraak te zijn bij Maria en bij de Heer. Zo. Dat heeft me goedgedaan.
Een boottocht over de Seine is na de indrukken van vanmorgen en vanmiddag heerlijk ontspannend. 's Avonds een video over Catharina Labouré met elkaar bekeken en vervolgens samen het rozenhoedje gebeden. Ik kijk terug op een mooie dag.
Niek Vincent, waar ben je? Zijn lichaam heb ik vandaag gevonden in een schitterende schrijn in de kapel van de Lazaristen. Hoewel, zijn lichaam? Zijn hart ligt bij de zusters. In het museum vind ik nog wat stukjes. Zo zullen er door Frankrijk heen nog wel meer relieken zijn. In de kapel ligt zijn skelet, met handen en gezicht van was. Een wassen neus dus.
Van zijn geest vind ik weinig terug. In de ramen van de kapel en op de muurschilderingen staat wel het nodige over zijn leven en zijn spiritualiteit, maar op zo'n zoetige of juist hoogverheven wijze dat het mij niet kan raken.
Bij de zusters is het al niet beter. De Dochters van Liefde, gesticht om de liefdewerken te verrichten aan de armen, hebben zich toegelegd op de dienst aan de pelgrims voor de Maria van de wonderbaarlijke medaille. Opnieuw zie ik vele mensen van over de hele wereld die hier hun troost komen zoeken. Dat doet me wel iets, maar verder kan ik er niet veel mee. De kapel van het moederhuis van de Dochters is nu vooral een Mariakapel geworden. Links en rechts aan de zij-altaren is een plekje voor Louise de Marillac en voor Vincent (zijn hart).
Naast Vincent staat een medaille afgebeeld. Hij lijkt opde wonderbaarlijke, maar hij is het niet. Op de ene kant staat Vincent met de spreuk 'Evangelitare pauperibus misit me' en aan de ander kant een kruis met 'La charité de Jesus crucifié nous presse', de beide kernen van Vincens weg: de boodschap en de liefde. Ik besluit naar het winkeltje van de zusters te gaan om dié medaille te kopen, maar helaas, men verkoopt er alleen wonderbaarlijke medailles.
Mijn zoektocht naar Vincentiaanse spiritualiteit loopt steeds weer op tegen muren van devotie.
Misschien heeft Albert gelijk, en moet ik niet veel meer verwachten van deze 19 de -eeuwse beelden en schilderingen.