[Volgend bericht: "Vieren in de gevangenis"]
22/03/2005: "Bijbeltekst"
Matteüs 5, 1 – 12a
Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
“Zalig de armen van geest
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt
En lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil.
Verheugt u en juicht,
want groot is uw loon in de hemel.’
Ik heb iets met deze tekst. Hij geeft me rust, maakt het leven eenvoudig.
Wie zijn deze mensen die zalig genoemd worden?
Voor mij is het iedereen die niet vastzit aan deze wereld, aan wat je kunt zien en beetpakken, wat je kunt bezitten en gebruiken, aan alles wat lekker is of snel of cool, aan succes of aanzien. Het zijn mensen die daarvan wel kunnen genieten en er niet op neerzien: al het goede dat ons overkomt of binnen ons bereik ligt, wordt ons gegeven om ervan te genieten. Maar ze weten ook dat hun leven om iets anders draait, om Iemand die we God mogen noemen. Door niet vast te zitten aan al die uiterlijke dingen, kunnen ze ook overeind blijven als die dingen er op een bepaald moment niet zijn.
Ik vond deze levenshouding mooi verwoord in een lied dat Jongerenkoor Sint-Lucas zong in een viering in onze parochiekerk (op de zondag waarop dit evangelie werd voorgelezen):
(2de couplet)
Maar iets in mij zegt:
Het leven is geen wedstrijd, maar een recht.
En iets in mij zingt over een Mens
die vrij maakt en niet dwingt.
Mooi worden mensen niet van mooie kleren,
mooi zijn ze van zichzelf zonder presteren.
En iets in mij bidt dat iedereen een stukje God bezit.
Niemand kan zeggen dat hij voor honderd procent zo in het leven staat als de mensen die in de zaligsprekingen worden genoemd. In de liedtekst wordt het ook zo absoluut niet gesteld.
Voor mij is het een ideaal om naar te streven, om naar uit te zien en te weten dat ik het nooit helemáál zal bereiken.
Maar ik vind het de moeite waard om ernaar te reiken.

