[Vorig bericht: "Dubbel bidden"] [Volgend bericht: "Macho's in de psalmen"]
06/11/2005: "Geen eer aan te behalen?"
In de gevangenis bezoek ik momenteel twee jonge mannen, elk 21 jaar oud. Wat heeft hun lot met mij te maken? Waarom ga ik deze mannen opzoeken, terwijl ik weet dat ik niet voor asiel kan zorgen? Dat ze me misschien niet eens de volledige waarheid vertellen. Dat ze binnen enkele maanden weer vrij rondlopen, in Nederland als illegaal of in hun geboorteland als mislukte emigrant.
Aan dit soort mensen is toch geen eer te behalen?
Ik weet niet of alles waar is wat ze zeggen. Toch geloof ik niet dat hun verhaal van leugens aan elkaar hangt en ze alleen maar proberen medelijden op te wekken. Daarvoor zijn onze ontmoetingen te warm en te echt. Ik geloof in de goedheid van deze jonge mannen.
Ze vechten voor hun leven en voelen zich door iedereen in de steek gelaten. Ze reageren daar heel verschillend op. Eén van hen is nogal taai en lijkt zich wel te redden. Uit zijn verhalen maak ik op dat hij agressief en lastig wordt, als hij zich in het nauw gedreven voelt. De tweede laat zijn wanhoop duidelijk blijken en neigt tot somberheid. Allebei zeggen ze dat ze hun ouders hebben verloren en dat ze enigst kind zijn. Ze voelen zich verschrikkelijk eenzaam.
Eigenlijk doe ik niks. Bewust niks.
Ik zit daar alleen maar, een uur lang. Luisterend naar hun verhaal, hun geklaag, hun verdriet en soms ook hun vrolijkheid.
Ik kan ook niet méér, en dat weten ze.
Toch vind ik dat ruimschoots de moeite waard.
Eenzaamheid doodt mensen. Je bent echt niks meer als niemand jouw naam nog kent, als niemand jou als vriend aanspreekt. Als je alleen nog maar gevangene X bent met registratienummer Y. Als je enige contacten de vreemdelingenpolitie, de bewakers en je medegevangenen zijn.
Vaak moet ik aan Jezus denken, als ik deze mannen heb bezocht.
Hij werd ook vernederd en was op het laatst helemaal niks meer. Hij was afschuwelijk mishandeld met een gesel (een soort zweep met venijnige loden kogeltjes). Daarna hadden ze een kroon met stekels (doornen) op zijn hoofd gezet en die stevig aangedrukt, en hem geslagen, bespuwd en uitgelachen. Toen moest hij ook nog de dwarsbalk van een kruis dragen en werd hij met spijkers door zijn polsen en zijn voeten aan zo’n kruis geslagen…tot de dood erop volgde.
Voor mij is het God zelf die in zulke armzalige omstandigheden heeft verkeerd…die een kleine man geworden is en die de dood in de ogen heeft gezien.
Hij is zelf iemand geweest aan wie ´geen eer meer te behalen viel´. Het was zelfs op het laatst gevaarlijk om in zijn buurt te komen, want je kon dan óók gearresteerd worden.
Dat God mens geworden is, in Jezus, en dat Hij het menselijk bestaan met al zijn goede dingen en zijn ellende heeft gekend… dat stelt me gerust. Ik kan zo diep niet vallen of Hij is er óók. Hij staat achter ieder mens, hoe moeilijk zijn omstandigheden ook zijn.
Er zijn geen mensen die minder belangrijk zijn in zijn ogen.
Als ik terugkijk op de talloze gesprekken met gevangenen, besef ik dat Hij daarbij geweest is, en kracht gegeven heeft aan ons beiden.
Sterker nog: Hij is mens geworden in Jezus, die als een ‘kleine man’ eronder door is gegaan. En Hij wil leven ook in die gevangenen die nauwelijks meetellen….en in mij en in jou die dit leest.

